Advayavada Study Plan – week 28

Dear friends,

The purpose of Advayavada Buddhism is to become a true part of the whole.

Our quest is fully personalized: it is firmly based on what we increasingly know about ourselves and our world, and trusting our own intentions, feelings and conscience. Adherence to the familiar five precepts (not to kill, not to steal, sexual restraint, not to lie, and refraining from alcohol and drugs) and a well-considered understanding of the three (in Advayavada Buddhism, four) signs of being and the Buddha’s four noble truths (which, this quarter, are the subjects of weeks 27 to 31) suffice to start off on this Path at any time.

Advayavada Buddhism does not tell you what to do or believe, but invites us all to make the very best of our own lives by indeed attuning as best as possible with wondrous overall existence advancing over time now in its manifest direction. The Advayavada Study Plan (ASP) is repeated four times a year.

The purpose of the autonomous ASP is that we study (and debate in a local group, the family circle or with good friends) the meaning and implications of the weekly subject, not as a formal and impersonal intellectual exercise, but in the context of whatever we ourselves are presently doing or are concerned with, or about, such as our health, relationships, work, study, our place in society, etc.

My own specific personal objective this new quarter is to help improve the didactic presence of Advayavada Buddhism on the social media; what is your specific objective this quarter?

In week 27 we observed and studied the impermanence or changeability of all things, and to continue this new 13-week action plan, in week 28 we shall again study the selflessness and finitude of all things as thoroughly as possible; in Dutch: de vergankelijkheid van alles (het tweede kenmerk van het bestaan)

This task is based on the Buddhist anatta (Pali) or anatmata (Sanskrit) doctrine. It is the second of the three (in Advayavada Buddhism, four) signs or marks or basic facts of being. Anatta or anatman means that no imperishable self exists in the person in the sense of a permanent, eternal, integral, and independent substance; human beings currently live for about 4,000 weeks, during which wondrous life itself takes care of a lot for us: the lion’s share of our body’s activities is e.g. under the control of our peripheral nervous system, which includes the autonomic nervous system comprised by a sympathetic and a parasympathetic system, which e.g. jointly run our heart beat and the flow of blood through our blood vessels and much more.

In Mahayana Buddhism, the nissvabhava (Sanskrit) doctrine teaches further that in fact all things without exception are empty (shunya) of self-nature (svabhava), i.e. devoid of self-sufficient, independent existence or lasting substance; svabhava-shunyata (lit. self-nature emptiness) is a central notion in Madhyamaka philosophy. It teaches that indeed everything without exception arises, abides, changes and extinguishes in accordance with madhyamaka-pratityasamutpada, i.e. the process of universal relativity or interdependent origination, meaning here that ‘all causes are effects and all effects are causes’.

Nirvana is, in Advayavada Buddhism, the total extinction of our existential suffering as a result of our complete reconciliation and harmonization with reality as it truly is beyond our commonly limited and biased personal experience of it; the unremitting persistency of human distress, alienation and conflict is undeniably due to the very many everywhere not knowing or not understanding or simply disbelieving the true nature of existence.

Please note that these ASP instalments in this format will cease in week 31.

Kind regards,
John Willemsens,
Advayavada Foundation.
@advayavada

Het concept Leegte (Blum)

Geen begrip beschrijft het unieke van het Mahayana denken beter dan shunyata of ‘leegte’, een concept dat tegelijkertijd verontrustend, verwarrend en mysterieus is. Het concept ontstaat in het vroege boeddhisme met de doctrine van het niet-zelf, of anatman, die zegt dat de mens verstoken is van een permanente, onveranderlijke identiteit. In het Mahayana heeft het bijvoeglijk naamwoord shunya of ‘leeg’ een uitgebreidere betekenis en wordt beschouwd als een religieuze kwaliteit op zichzelf, die wordt uitgedrukt door het abstracte achtervoegsel ta. Men kwam tot de diepgaande conclusie dat alle fenomenen worden gekenmerkt door deze eigenschap van het ontbreken, het verstoken zijn, van een ondubbelzinnig, permanent en herkenbaar element. En dit ‘ontbreken’ is de feitelijke sleutel tot het begrip van de religieuze waarheid over alle fenomenen. Zo ontstond Leegte, een nieuwe uitdrukking van de ultieme waarheid van het bestaan.

Het concept van Leegte werd voor het eerst ontwikkeld in de Prajnaparamita sutra’s van de Volmaakte Wijsheid, waar wordt gesteld dat de waarheid van de wereld boven elk dualistisch onderscheid verheven is. De teksten weerlegden de positie die in de canonieke Abhidharma wordt ingenomen, die het gebrek van een onveranderlijke zelf in de mens verklaarde met de gedachte van een tijdelijke bundeling van individuele elementen die op zichzelf wezenlijk en herkenbaar zijn. De conceptuele fout van de Abhidharmisten was dat ze het wezen of zelf van een persoon [enkel] vervingen door een groter aantal [vijf] onbeduidende elementen, wat nog steeds impliceerde dat de wereld zoals die wordt waargenomen werkelijk is. Voor Mahayana-geleerden zijn deze specifieke elementen, dharma’s genoemd (niet te verwarren met de Dharma, de leer van de Boeddha), net zo verstoken van een onveranderlijk wezen als de mens zelf. (hertaald uit Leegte, door Mark C. Blum, in Boeddhisme, red. Kevin Trainor, p.140, Kerkdriel 2012)

Richtingen in het Boeddhisme

Goedenavond, Mijn naam is John Willemsens. Sommigen van u kennen mij van eerdere spreekbeurten. Ik ben de voorzitter van de Advayavada Stichting. De doelstelling van de stichting is bekendheid te geven aan de door mij gepromote seculiere, nonduale en wereldminnende vorm van het boeddhisme. Ik hoop u vanavond een schets te kunnen geven van de verschillende richtingen in het boeddhisme. Iemand zei eens dat de geschiedenis van het boeddhisme een lang verhaal van ketterijen was. In de vijfentwintig eeuwen sinds de Boeddha heeft zijn oorspronkelijke eenvoudige leer inderdaad vele veranderingen en aanpassingen ondergaan. En in die zin is het Advayavada-boeddhisme dat ik aanhang ook in zekere zin een ketterij. Het Advayavada-boeddhisme kan worden beschouwd als een nieuwe loot aan de grote Mahayana tak van het boeddhisme.

Mahayana betekent ‘het grote voertuig’, en lang sprak men in het Westen simpelweg over, aan de ene kant, het Mahayana boeddhisme en, aan de andere kant, het Hinayana boeddhisme. Hinayana betekent ‘het kleine voertuig’ en deze benaming werd en wordt als denigrerend ervaren en men noemt deze oudste vorm van het boeddhisme nu in het algemeen liever Theravada, ofwel ‘de leer van de ouderlingen van de orde’. Daarnaast was er ook nog het nog exotischer en toen nog vrijwel onbekende Tibetaans boeddhisme, dat vaak gemakshalve tot het Mahayana boeddhisme werd gerekend en, op een hoop, meestal het Lamaïsme werd genoemd.

Maar laten wij beginnen met het Theravada boeddhisme, want deze vorm is beslist de oudste. Deze zeer behoudende vorm van het boeddhisme is in de loop der tijd onstaan uit een van de tenminste achttien boeddhistische sekten die ontstonden in Noord India in de vijf eeuwen tussen de dood van de historische Boeddha Siddharta Gautama en het begin van onze jaartelling. De onmiddelijke voorloper van het huidige Theravada boeddhisme werd rond het jaar 250 v.C. door een Indiase monnik genaamd Mahinda op Sri Lanka (toen nog Ceylon) ingevoerd en het spreidde zich vandaar over geheel Zuidoost Azië uit. Het Theravada boeddhisme wordt daarom ook het Zuidelijk boeddhisme genoemd, maar ook het Pali boeddhisme omdat de canonische taal het Pali is, dit in tegenstelling tot het Sanskriet van het Mahayana boeddhisme. En op Sri Lanka zelf wordt het ook het Singalees boeddhisme genoemd omdat het de vorm van het boeddhisme is dat aangehangen wordt door het Singalese deel van de bevolking van het eiland. De Tamils zijn hindoes.

Het boeddhisme stierf overigens vrijwel uit op Sri Lanka onder druk van de coloniale machten (Portugezen, Nederlanders, Engelsen) totdat het paradoxaal genoeg voornamelijk door de inspanningen van theosofen tegen het einde van de 19e eeuw weer opbloeide. Vooraanstaande Westerse theosofen als Madame Blavatsky, Charles Leadbeater en Colonel Henry Olcott kwamen naar Sri Lanka in de tachtiger jaren van de 19e eeuw en werden wellicht de eerste westerlingen die het boeddhisme publiekelijk beleden door de zogenaamde drie toevluchten (toevlucht in de Boeddha, zijn leer en zijn gemeente) te nemen en de vijf leefregels (niet te doden, niet te stelen, kuisheid, niet te bedriegen en geheelonthouding) te aanvaarden. Maar ze probeerden ieder hun eigen stempel te drukken op de leerresten die zij aantroffen. Terwijl bijvoorbeeld Olcott een zuivere en niet esoterische vorm van het boeddhisme voor ogen had, waren Blavatsky en Leadbeater eigenlijk enkel geinteresseerd in esoterische en occulte zaken. Olcott bleef achter toen Blavatsky en Leadbeater Sri Lanka weer verlieten, gaf een invloedrijke boeddhistische catechismus uit, en stichtte boeddhistische scholen en verenigingen. Maar vooral omdat Olcott verbonden bleef aan de theosofische beweging en ook een grote hekel had aan het ritualisme van de boeddhistische liturgie kwam er uiteindelijk onenigheid met vooraanstaande Singalese voorvechters van het herstel van het boeddhisme in Sri Lanka als bijvoorbeeld Anagarika Dhammapala. Maar om zijn hulp en opbouwwerk blijft Colonel Olcott toch een groot held voor de Singalesen en er staat danook een groot standbeeld van hem voor het Centraal Station van Colombo, de hoofdstad van Sri Lanka.

De Theravada leer is gebasseerd op de leerstellingen van de Vinaya-pitaka, die de regels voor de gemeente, de sangha bevat; de Sutra-pitaka, die vijf verzamelingen van leringen van de Boeddha en zijn eerste discipelen bevat; en de Abhidharma-pitaka, die boeddhistische filosofie en psychologie bevat. De drie pitakas of ‘manden’ stammen uit de eerste jaren na de dood van de Boeddha en vormen samen de Pali Tripitaka. In het Theravada boeddhisme ligt het accent heel sterk op de uiteindelijke verlossing van het ene individu door zijn eigen meditatieve inspanning, morele discipline en het worden van, of gaan leven als, monnik of non. De ideale figuur in het Theravada boeddhisme is de arhat, die na dit leven niet wordt herboren. Dit is waar het orthodoxe Theravada boeddhisme naar streeft, het niet herboren te hoeven worden. Een bekende naam in het hedendaagse wereldje van de Vipassana meditatie, die door het Theravada boeddhisme geïnspireerd is, is die van de Birmese leraar Sri Satya Narayan Goenka, die er extreem orthodoxe denkbeelden op nahoudt.

Het Mahayana boeddhisme is óók wel over het algemeen wereldvliedend, maar toch anders. Het fundamentele verschil met het Theravada boeddhisme ligt in dit belangrijk opzicht in het feit dat de ideale figuur in het Mahayana boeddhisme niet de arhat, maar de bodhisattva is, en dat dit verlicht wezen Nirvana beslist niet wil ingaan totdat hij of zij alle wezens op aarde heeft geholpen om hetzelfde te bereiken. Uit dit feit onstond vrijwel zeker de geringschattende term Hinayana voor het Theravada boeddhisme en zijn Indiase voorlopers, waarmee men een klein voertuigje bedoelde met alleen plaats voor de eigen persoon.

Het Mahayana boeddhisme is tegenwoordig een bonte verzameling van allerlei richtingen die eigenlijk voornamelijk gemeen hebben dat ze niet het Theravada boeddhisme zijn. In een van de vroege boeddhistische concilies in India zo’n 250 jaar na de dood van de Boeddha is het tot een belangrijke splitsing gekomen tussen streng orthodoxe en meer liberale monniken. Het ging onder andere over de vraag of een arhat nog onderhevig was aan twijfel en aan verzoekingen van bijvoorbeeld seksuele aard, nachtelijke zaadlozingen kon hebben, en dergelijke zaken. De liberalen vonden van wel en omdat zij ervan uitgingen dat ze in de meerderheid waren, noemden zij zichzelf de Mahasanghikas. Deze ‘leden van de grote sangha’ splitsten zich later in een aantal sekten op. De orthodoxen waren de Sthaviras, waaruit de achttien eerder genoemde Hinayana sekten ontstonden en mettertijd het Theravada boeddhisme in de vorm die wij kennen. De leden van één van de Sthavira sekten, de Sarvastivadins uit het Noordwesten van India, splitsten zich echter niet lang daarna toch nog van het Hinayana boeddhisme af en werden zelf een voornaam bestanddeel van het sterk opkomende Mahayana boeddhisme.

Het Mahayana boeddhisme begon echt vorm te krijgen in de eerste eeuwen van onze jaartelling, zo’n 7 à 8 eeuwen na de dood van de historische Boeddha Siddharta Gautama. De twee grote namen zijn Nagarjoena, de stichter van de Madhyamaka denkrichting, en Asanga de stichter van de heel verschillende Yogachara of Vijñanavada denkrichting. De grote verdienste van de wijsgeer Nagarjoena is zijn ordening en uitdieping van de uitgebreide leringen van de Prajna-paramita soetras (de soetras van de wijsheid die de andere oever bereikt). De Diamant Soetra en de vaak gereciteerde en gezongen Hart Soetra, die vooral uitlegt dat vorm en leegte hetzelfde zijn, zijn er een onderdeel van. Er staan fraai gezongen versies van de Heart Sutra in alle talen op YouTube.

De belangrijkste kernbegrippen in de Madhyamaka, wat leer van het midden betekent, zijn ‘pratitya-samutpada’ (d.w.z. het samengestelde ontstaan en de onderlinge afhankelijkheid van alle dingen) en ‘shunyata’ (de conceptuele of denkleegte voorbij en achter al onze voorstellingen van de dingen). Dan hebben wij ook nog de twee waarheden die tot onze beschikking staan (de conventionele waarheid en de absolute waarheid), en dat samsara (het dagelijks leven) en nirvana (het verloste bestaan) in wezen identiek zijn. Invloeden van deze kernbegrippen zien wij terug in het sobere Chan (in het Japans Zen)-boeddhisme in zijn twee vormen Rinzai en Soto Zen, en deze kernbegrippen vormen ook de basis van ons eigen nonduale Advayavada-boeddhisme. A-dvaya-vada betekent zoiets als ‘niet-twee-leer’. Dat dit het is. This is It. Dat dit alles is. In het Advayavada-boeddhisme moet het 8voudige pad daarom worden gezien als een afspiegeling van de totale ene werkelijkheid. De wetten van het deel kunnen niet anders zijn dat de wetten van het geheel.

Kernbegrippen in de Yogachara zijn dat wij als mens indrukken die wij ondergaan als zaden verzamelen in een soort voorraad- of bewaarbewustzijn waar ze combineren en tot voorstellingen uitgroeien, dat alle dingen inclusief wijzelf derhalve enkel voorstellingen van ons denken zijn, en dat dus ook ons ik of ego een illusie is. Verlichting is dit alles te doorgronden door middel van meditatie en morele discipline. In het Yogachara idealisme konden transcendente Mahayana bespiegelingen zoals die van de drie lichamen van de Boeddha tot wasdom komen. De gedachte van de trikaya houdt in dat een boeddha deel uitmaakt van de absolute werkelijkheid en zich manifesteert in de relatieve werkelijkheid als de dharmakaya (het lichaam van de wet), de sambhogakaya (het lichaam van de gelukzaligheid in de hemel), en de nirmanakaya (het aardse lichaam ten dienste van de mensheid). De historische Boeddha Siddharta Gautama werd zo een van de vele boeddhas. Uit deze bespiegelingen is het religieuze Amidisme in zijn verscheidene vormen ontstaan dat wij vooral in China en Japan aantreffen. De Boeddha Amida is de heerser over een “Westelijk Paradijs” genaamd Sukhavati, en Amida met hart en ziel aanroepen is voldoende om in dat (al dan niet als denkbeeldig beschouwd) “Zuivere Land” te geraken.

Het Tibetaans boeddhisme ontstond in feite hoog in Noordwest India als een samensmelting van de kloosterregels van de eerdergenoemde Sarvastivadins en de uitgebreide esoterische cultus van het Vajrayana (het diamanten voertuig) boeddhisme van Noordoost en Noordwest India. Het Vajrayana boeddhisme is zelf een samengaan van oude Indiase geloven, yoga, allerlei tantrische teksten, de herhaling van mantras, enz., met boeddhistische beginselen en filosofie uit het Mahayana boeddhisme. Er onstonden in de loop van de tijd vier verschillende stromingen in het Tibetaans boeddhisme: De Nyingmapa (de dzogchen- of ‘grote perfectie’-vorm) ontwikkelde zich in Tibet rond de 8ste eeuw. De Kagyupa (de mahamudra- of ‘grote zegel’-vorm) en de Sakyapa (de lamdre- of ‘het pad is het doel’-vorm) ontstonden in de 11e eeuw. En de Gelugpa (de ‘gelekap’ school der deugdzamen), die qua inhoud grotendeels is gebaseerd op de wijsgeer Tsongkhapas uitgebreide uitleg van de Madhyamaka, is ontstaan in de 14e eeuw. De charismatische 14e Dalai Lama, die in 1959 moest vluchten naar India, is het huidige spirituele hoofd van de Gelugpas. Het Tibetaans boeddhisme verdrong en absorbeerde veel van de oorspronkelijke shamanistische Bon religie van Tibet en spreidde zich uit naar alle noordelijke grensstaten van India en verder uit tot Mongolië en China.

Er zijn over de eeuwen heen vele richtingen in het boeddhisme in Azië onstaan en vele zijn ook weer verdwenen. Sommige sekten waren, zoals dat gaat, niet levensvatbaar, of slecht gestructureerd, of corrupt, en weer andere werden in de loop der tijd verdrongen door sterkere en of modernere stromingen. En soms worden de sanghas ook vandaag nog van buitenaf ernstig tegengewerkt en hun kloosters, tempels en onderwijs-instellingen verboden en zelfs vernietigd. Opeenvolgende redenen worden genoemd voor de uiteindelijk neergang van het eens zo diverse en wijdverbreide boeddhisme in India zelf, te weten de corruptie in vele van de boeddhistische kloosters, die het niet langer zo nauw namen met de Vinaya regels en, bijvoorbeeld, donaties van zilver en goud aannamen; de steeds groter wordende afstand tot het gewone volk van de Mahayana en Vajrayana sanghas, ook doordat ze gebruik gingen maken van het Sanskriet als canonieke taal, taal die de gemiddelde Indiër niet begreep; een andere factor was de herleving van het Hindoeïsme met zijn vele populaire goden dat dit alles teweegbracht, nog versterkt door de succesvolle opkomst van het Vedantisch hindoeïsme rond de 10e eeuw; en dan, natuurlijk, de systematische vernietiging van de boeddhistische kloosters, tempels en onderwijsinstellingen door de moslim bezetters in de 12e eeuw. Het hindoeïsme was voor de moslims te zeer verweven met het dagelijkse Indiase leven om deze religie te kunnen onderdrukken.

Belangstelling voor het boeddhisme in het Westen is van de laatste honderdvijftig jaar of zo. Het Licht van Azië geschreven door Sir Edwin Arnold in 1879 gaf heel veel bekendheid aan het boeddhisme. Christmas Humphreys, de stichter van de Buddhist Society in 1924, noemde het “verreweg de grootste best-seller van alle westerse boeddhistische boeken”. In de Flower Power beweging van de zestiger jaren met zijn goeroes als bijvoorbeeld Alan Watts onstond veel belangstelling voor vooral de Zen vorm van het boeddhisme. De boeken van D.T. Suzuki werden toen gretig gelezen. Met alle Oost naar West migraties sinds de Tweede Wereldoorlog zijn vele etnische vormen van het boeddhisme in Amerika en Europa terechtgekomen, gevolgd door hun monniken en leraren uit de landen van oorsprong. In alle westerse landen zijn er tegenwoordig groeperingen van alle vormen en sekten van het boeddhisme. De tempel op de Zeedijk is bijvoorbeeld van de Buddha’s Light International Association, een religieuze sekte uit Taiwan. Omdat het representatief is voor deze gang van zaken lees ik u voor een klein deel van de informatie die op de Nederlandstalige website van die sekte staat:

“De Eerwaarde Meester Hsing Yun (staat er op de website) werd tot de oprichting van Buddha’s Light International Association geïnspireerd door een visioen. Zijn gelofte om “het licht van de Boeddha over de drieduizend rijken te laten schijnen en het water van de Dharma over de vijf continenten te laten stromen” was de stimulans om dit idee verder vorm te geven. Na het beeindigen van zijn functie als abt van het Fo Guang Shan-klooster in Taiwan begon de eerwaarde Meester, over de hele wereld reizend en onderwijzend, zijn ideaal uit te dragen. Terwijl hij naar al die getrouwen in de hele wereld luisterde kwam een idee bij hem op: Fo Guang Shan zou het voortouw moeten nemen om het boeddhisme naar allerlei steden en gemeenschappen, overal op de wereld, te brengen om zo iedereen, in elke uithoek van de aarde, te kunnen bereiken en om zodoende een antwoord te kunnen geven op de vele uitdagingen van deze tijd met zijn diepe menselijke noden. Vanuit deze visie werd BLIA opgericht om mensen die daar behoefte aan hadden, te helpen bij hun spirituele activiteiten en om onderwijs op het gebied van geestelijke reiniging en het helpen tot bloei brengen van iemand’s mogelijkheden, te ondersteunen, om zo een Puur Land van Boeddha’s Licht op aarde te vestigen.” (einde citaat)

Hiermee vergeleken is het Advayavada-boeddhisme maar een saaie boel. Dank u wel voor uw aandacht. Zoals gewoonlijk is er na de koffie gelegenheid tot vragen stellen.

© 2009